Rotterdamse arbeidsmarkt is hoogopgeleiden goed gezind.

Als werkstad heeft Rotterdam veel te bieden. Er is genoeg werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden zijn redelijk gunstig. Maar de beschikbare banen sluiten niet goed aan bij het aanbod. Vooral middelbaar- en laagopgeleiden zijn daarvan de dupe.

Arbeid wordt in de hedendaagse economie gezien als de belangrijkste troefkaart waarop bedrijven en regio’s met elkaar concurreren. Economisch beleid waarin arbeid geen hoofdrol speelt, is inmiddels ondenkbaar geworden. De kracht van de Rotterdamse economie valt of staat dan ook met de aantrekkelijkheid om in Rotterdam te werken. Alle reden om de aantrekkelijkheid van de Rotterdamse economie vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt onder de loep te nemen.

De Rotterdamse regio heeft voor Nederlandse begrippen veel werkgelegenheid. In 2016 ging het in de stad om circa 358.000 banen en in de overige regio Rotterdam nog eens om 238.000 banen. Evenals in andere grootstedelijke regio’s (onder andere Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven) is de werkgelegenheid hier sterker toegenomen dan het landelijk gemiddelde. Sinds 2001 is de werkgelegenheid in Rotterdam met 10% gegroeid en in de overige Stadsregio Rotterdam (SRR) zelfs met 20%. Het aandeel in de Nederlandse werkgelegenheid is sindsdien licht gestegen tot respectievelijk 2,9% en 4,3%. Grootstedelijke regio’s als Rotterdam profiteren daarmee van hun agglomeratievoordelen en hun toenemende aantrekkelijkheid om er te wonen onder jongeren en hoger opgeleiden. Dit uit zich onder andere in een sterkere ruimtelijke concentratie van (bedrijfs)investeringen en daarmee van banen. Kortom, Rotterdam wordt net als andere grote steden qua aanbod en niveau van de werkgelegenheid verhoudingsgewijs steeds aantrekkelijker en heeft in de eerste plaats die andere grote steden als concurrent.

Om de omvang van de Rotterdamse werkgelegenheid nader te kunnen beoordelen, dient deze te worden afgezet tegen de omvang van de Rotterdamse beroepsbevolking. De zogenoemde ‘werkgelegenheidsfunctie’ in Rotterdam komt in 2016 uit op 1,17, ofwel op elke 100 leden van de Rotterdamse beroepsbevolking zijn 117 banen aanwezig. Kwantitatief gezien is er dus voldoende werk aanwezig. De hoge werkgelegenheidsfunctie impliceert een relatief hoge aantrekkelijkheid. Er is per saldo immers een instroom van werkenden nodig (positief pendelsaldo) om alle banen te kunnen vervullen. De Rotterdamse arbeidsmarkt is dan ook geen gesloten systeem. De aantrekkelijkheid ervan is altijd een relatieve ten opzichte van die van andere regio’s. In het vervolg van dit essay wordt Rotterdam regelmatig vergeleken met andere steden.

Gunstige arbeidsvoorwaarden

Een kernindicator voor de aantrekkelijkheid van werk zijn uiteraard de arbeidsvoorwaarden. In de eerste plaats gaat het daarbij om de beloning. Het netto maandloon van werknemers met een baan in deze regio bedroeg in 2014 ruim €1.400, wat rond het Nederlands gemiddelde en iets onder het loonniveau in Amsterdam en Den Haag ligt. Een exacte benchmark (rekening houdend met baan- en werknemerskenmerken) is hierbij niet te geven. Indicatieve cijfers schetsen een beeld dat middelbaar geschoolden in Rotterdam bovengemiddeld beloond worden, hoger geschoolden gemiddeld en lager opgeleiden wat lager dan gemiddeld. Ruim eenderde van de werknemers in deze regio waardeert zijn of haar loon als zijnde hoog (zie figuur 1). Daarmee zijn werknemers hier niet wezenlijk meer of minder tevreden met hun beloning dan die in Amsterdam en elders in het land.

Twee op de drie werkenden in Rotterdam zijn tevreden over de secundaire arbeidsvoorwaarden. Daarmee scoren Rotterdamse werkgevers beter dan die in Nederland, gemiddeld (63%). Secundaire voorwaarden zijn de ontwikkelings- en scholingsmogelijkheden. Ongeveer 30% van de werkenden in Rotterdam was in 2014 tevreden over de doorgroeimogelijkheden bij hun werkgever (zie figuur 2). Dat is wat lager dan het Amsterdamse, Haagse en landelijke cijfer. Bijna de helft van de werkenden in Rotterdam was tevreden over de scholingsmogelijkheden die hun werkgever bieden. Dat is wel weer redelijk in lijn met het landelijke cijfer. De tevredenheid met het personeelsbeleid van de werkgever is hier ongeveer even groot als landelijk. Werkenden in Rotterdam gaven hun werkgever daarvoor gemiddeld een 6,6. Al met al was in 2014 een zeer ruime meerderheid (87%) van de in Rotterdam werkzame werknemers tevreden met zijn of haar baan. Ook dat is redelijk in lijn met het landelijke cijfer.

De inzetbaarheid van werkenden is een indirecte indicatie voor de aantrekkelijkheid van het werk dat ze doen. Onder werkenden in Rotterdam komen burn-out klachten (21%) beduidend vaker voor dan onder werkenden in Nederland (15%). En ook het ziekteverzuim ligt met gemiddeld 7,3 dagen per jaar op een wat hoger niveau dan landelijk. Een mogelijke verklaring is het branche- en beroepsprofiel. Rotterdam heeft relatief veel werkgelegenheid in de haven, logistiek en in de overheidssectoren zorg, onderwijs en politie. Landelijk liggen de ziekteverzuimcijfers in deze sectoren het hoogst.

Figuur 1: Tevredenheid van werknemers met hun baan en hun loon naar werkregio (2014).
Bron: Bureon, o.b.v. SCP (2014), Arbeidsaanbodpanel
figuur 2: Tevredenheid van werknemers met de geboden carrièremogelijkheden naar werkregio in % (2014).
Bron: Bureon, o.b.v. SCP (2014), Arbeidsaanbodpanel

Sterke binding van schoolverlaters

De aantrekkelijkheid van deze regio ten opzichte van andere regio’s is in het bijzonder relevant voor de belangrijkste groep starters op de arbeidsmarkt, namelijk de schoolverlaters. Schoolverlaters oriënteren zich op hun eerste stap op de arbeidsmarkt en de vraag is of ze daarbij voor een baan in de Rotterdamse regio kiezen of niet.

De binding van schoolverlaters van het hbo aan de Rotterdamse regio is vrij hoog. Ongeveer tweederde van de hbo’ers die in deze regio heeft gestudeerd, vindt hier ook werk. In de regio’s Haaglanden en Utrecht en ook landelijk ligt de binding gemiddeld rond de 50%. Nog aardiger om te bekijken is de groep hbo’ers die vanuit een andere studieregio in Rotterdam een baan vindt. 45% van de hbo’ers die starten met een baan in de regio Rotterdam heeft buiten de regio gestudeerd. Waarom ze voor deze regio hebben gekozen is niet bekend. Ze krijgen hier niet eerder een vaste baan dan hbo’ers elders in het land die buiten de studieregio werk hebben gevonden. Ze vinden wel vaker een fulltime baan. Bovendien lijkt de gevonden baan bovengemiddeld vaak op hun opleiding aan te sluiten en verdienen ze beter (zie figuur 3). Tot slot werken elders afgestudeerde hbo’ers die voor werk in de regio Rotterdam hebben gekozen, relatief vaker bij een grotere organisatie (zie figuur 3). Tweederde werkt bij een organisatie met minstens honderd werkzame personen, tegenover 60% van de hbo’ers elders. Daarmee lijkt de Rotterdamse regio relatief meer hbo’ers aan te trekken die een baan vinden in een grotere organisatie met groeimogelijkheden.

Hoe aantrekkelijk is de Rotterdamse arbeidsmarkt voor mbo’ers? Voor het aantrekken van nieuw talent geldt het gezegde ‘onbekend maakt onbemind’. Daarom is voor werkgevers van belang om voldoende leerbanen en stageplekken in de regio beschikbaar te stellen. In de Rotterdamse regio overstijgt het aantal mbo’ers het aantal stageplekken. In 2015/2016 waren op elke tien leerlingen negen plekken beschikbaar. In de andere G4-regio’s overtrof het aantal stageplekken het aantal leerlingen juist. Ruim vier van de vijf in de Rotterdamse regio’s studerende mbo’ers vonden in het studiejaar 2015/2016 een stageplek of leerbaan binnen de regio. Die binding is vergelijkbaar met die van mbo’ers in andere G4-regio’s. De binding varieert wel naar type opleiding. Zo is die onder studenten met een ICT- of bouwopleiding naar verhouding wat lager. En dat zijn wel beroepen waar momenteel grote schaarste heerst. Schoolverlaters van het mbo die in Rotterdam een baan hebben gevonden verdienen gemiddeld meer dan die elders in het land. 46% van hen verdient minstens €10 per uur netto, terwijl dat onder Nederlandse mbo’ers 39% is. Verder zijn ze vaker tevreden over de carrièremogelijkheden bij hun werkgever, maar minder positief over de inhoud van hun functie (zie figuur 4). Waarschijnlijk hebben deze verschillen te maken met het feit dat mbo’ers in deze regio, net als hbo’ers, vaker bij een grotere werkgever terechtkomen. Hier komt 60% bij een grotere werkgever te werken, tegenover 42% in de rest van Nederland. Bij grotere werkgevers is het startsalaris veelal hoger, zijn er (op het eerste gezicht) meer carrièremogelijkheden, maar moet men wel lager op de ladder beginnen.

Figuur 3: Afgestudeerde hbo’ers afkomstig van buiten de regio met minstens €2.000 netto loon en werkzaam bij een 100+ organisatie (2016)
Bron: Bureon, o.b.v. ROA (2016), HBO-Monitor
Figuur 4: % afgestudeerde mbo’ers dat positief is over de functie en carrièremogelijkheden naar werkregio (2015)
Bron: Bureon, o.b.v. ROA (2015), BVE-Monitor

Internationale werknemers

In 2015 telde de Rotterdamse regio ruim tienduizend kenniswerkers en nog eens 38.000 arbeidsmigranten die economisch actief waren. Sinds 2009 is sprake van een aanzienlijke toename van het aantal kenniswerkers (+2500) en arbeidsmigranten (+20.000). Rotterdam volgt daarbij redelijk de Nederlandse trend. Deze groeicijfers zijn de resultante van een omvangrijke jaarlijkse in- en uitstroom van internationale werknemers die de regio (en veelal ook Nederland) verlaten en die zich hier vestigen. Belangrijkste herkomstlanden van internationale werknemers in de regio zijn Polen, Turkije, Duitsland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. De gemiddelde verblijfsduur ligt op drie jaar, waarbij ongeveer drie op de tien ten minste zes jaar in de regio verblijft. Onder de groep kenniswerkers zijn Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Polen, Turkije en België de voornaamste herkomstlanden.

Het feit dat internationale werknemers in deze regio neerstrijken betekent (vanuit het perspectief van de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt) niet automatisch dat ze hier ook hun werk hebben. Zes op de tien blijken ook daadwerkelijk in Rotterdam te werken. Internationale werknemers werken in Rotterdam relatief vaak in de groothandels- en de vervoerssector. Onder kenniswerkers is de adviesdienstverlening verreweg de belangrijkste werkgever. De concurrentiepositie van Rotterdam als werkbestemming ten opzichte van andere steden is lastig vast te stellen. Wat betreft beloning lopen Rotterdamse werkgevers in elk geval behoorlijk in de pas met die elders in Zuid-Holland en Nederland.

Scheefgroei middensegment

Tot dusver is gekeken naar de gemiddelde aantrekkelijkheid van Rotterdamse banen voor werknemers. Het ligt voor de hand dat die aantrekkelijkheid varieert en niet in de laatste plaats naar opleidings- en baanniveau. Verschillen naar niveau doen zich alleen al voor bij de beschikbaarheid van werk in de regio. Terwijl de werkgelegenheid voor hoger geschoolden groeit, neemt die voor middelbaar geschoolden juist af. En dat terwijl de groep middelbaar opgeleiden in deze regio nog altijd (licht) toeneemt. Inmiddels overstijgt het aantal middelbaar opgeleiden in Rotterdam het aantal banen op middelbaar niveau met 23.000. In de regio Groot-Rijnmond loopt het ‘tekort’ aan banen op middelbaar niveau op tot maar liefst 117.000. Weliswaar sluiten het middelbaar niveau van banen en dat van opleidingen niet een-op-een op elkaar aan en zijn er altijd mensen die (gewenst of ongewenst) boven en vooral onder hun opleidingsniveau werken. Niettemin geven de aantallen de indruk dat op lokaal niveau van een behoorlijke scheefgroei in het middensegment sprake is.

De vraag is of hier sprake is van het zogenoemde verschijnsel ‘baanpolarisatie’, waarbij als gevolg van trends als digitalisering de werkgelegenheid in het middensegment structureel afneemt. Dit is niet met 100% zekerheid te zeggen. Recent onderzoek van het CPB wijst wel die richting uit. Daaruit blijkt dat in de periode 1999-2012 de werkgelegenheid in het middensegment in de regio Rijnmond met 10% is geslonken, terwijl die in het lage en in het hoge segment met respectievelijk 4% en 9% is gegroeid. Het CPB stelt dat de regio, evenals een aantal andere vooral stedelijke regio’s in Nederland, met baanpolarisatie te maken heeft (zie figuur 5).

Figuur 5: Beroepsbevolking en werkgelegenheid in Rotterdam en Groot-Rijnmond naar niveau (2016)
Bron: Gemeente Rotterdam/OBI (2017), bewerking Bureon

Structureel minder krapte dan in andere stedelijke regio’s

Cijfermatig gezien mag er misschien een overschot zijn aan middelbaar geschoolden in Rotterdam, in delen van het middensegment op de arbeidsmarkt is wel degelijk sprake van krapte. In oktober 2017 telde de regio Rijnmond ruim 4500 vacatures op middelbaar beroepsniveau. Dit betrof bijna de helft van alle door het UWV geregistreerde vacatures in de regio Rijnmond. Het gaat daarbij vooral om vakmensen in de techniek zoals machinemonteurs, verpleegkundigen op mbo-niveau, vrachtwagenchauffeurs, et cetera.

Nu betekent krapte niet automatisch een minder grote aantrekkelijkheid van het betreffende segment of de functie. Uiteraard kan een negatief imago van een functie, sector of van werkgevers resulteren in een tekort aan aanwas via het onderwijs of onvoldoende geïnteresseerden met de juiste kwalificaties. Tegelijkertijd zorgt krapte ook voor betere arbeidsvoorwaarden, meer aandacht voor opleidingen in de betreffende richtingen en een wenkend perspectief voor studenten en mensen met afwijkende kwalificaties. Bovendien, zijn functies en segmenten waar geen krapte is, maar juist veel ruimte (lees: werkloosheid) wel aantrekkelijk? Vanuit regionaal perspectief zou Rotterdam, met een hogere werkloosheid, dan vreemd genoeg voor werknemers een aantrekkelijker arbeidsmarkt moeten hebben dan die van steden met een lagere werkloosheid.

Waarschijnlijk is de mate van krapte het effect van zowel aantrekkelijke als onaantrekkelijke aspecten van het arbeidsaanbod. Gemiddeld genomen is de vacaturedruk in Rijnmond lager dan die in de andere grootstedelijke regio’s. Het zal enerzijds het gevolg zijn van het feit dat werkgevers in deze regio goed aan mensen kunnen komen en/of ze goed weten te behouden – een teken van aantrekkelijkheid. Uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat werken in Rotterdam een langere werkweek, een voor steden bovengemiddeld lang dienstverband en een gemiddelde kans op een vast dienstverband inhouden. Rotterdam scoort dus zeker niet slecht. Anderzijds kan de structureel lagere arbeidsmarktkrapte worden gezien als een teken dat deze regio vanuit arbeidsmarktkansen relatief minder aantrekkelijk is.

Verdringing laagopgeleiden

Werkloosheid illustreert de onaantrekkelijkheid van een (ruime) arbeidsmarkt misschien wel in de meest directe zin. Blijkbaar heeft de Rotterdamse arbeidsmarkt voor vooral langdurig werkzoekenden te weinig te bieden – en blijkbaar is ook het omgekeerde het geval. Rotterdam kent een relatief hoge werkloosheid. Voor de economische crisis in 2008 was de werkloosheid in Rotterdam gedaald tot onder de 6%, gelijk aan het landelijke niveau. Tijdens de crisis verdubbelde het werkloosheidspercentage. Met het economisch herstel van de laatste jaren daalt het percentage sneller dan landelijk, maar de werkloosheid lag eind 2016 met ruim 11% nog altijd bijna twee maal zo hoog als gemiddeld in Nederland.

In oktober 2017 ontvingen alleen al 28.000 inwoners in de regio Rijnmond één WW-uitkering. Meer dan 80% van de niet-werkende werkzoekenden is lager tot middelbaar opgeleid en bijna zeven op de tien heeft een niet-Nederlandse achtergrond. De kans op werkloosheid is onder jongeren tot 25 jaar, niet-westerse allochtonen en laagopgeleiden verreweg het grootst. Bijna een op de vijf van hen zat eind 2016 zonder betaald werk. Het zijn groepen die overwegend gericht zijn op en afhankelijk zijn van de lokale arbeidsmarkt.

De werkloosheid concentreert zich grotendeels binnen de lager opgeleiden, ondanks het feit dat de Rotterdamse regio beduidend meer banen op lager beroepsniveau telt dan er lager opgeleide leden van de beroepsbevolking zijn. Het ‘overschot’ aan banen op lager niveau bedraagt in de stad 57.000 en in de grotere regio zelfs 78.000. Dat de stad en regio toch zoveel laag geschoolde werkzoekenden telt, impliceert dat er sprake is van verdringing. Dat zal deels gebeuren door mensen van buiten (waaronder een deel van de tijdelijke arbeidskrachten uit het buitenland). Maar waarschijnlijk komt het ook door middelbaar opgeleiden, waarvoor onvoldoende werk op hun ‘middelbare’ niveau aanwezig is.

Hulp voor kwetsbare groepen

Het moge duidelijk zijn dat een aantrekkelijke arbeidsmarkt meer is dan de beschikbaarheid van voldoende banen. Het gaat om de aansluiting van de banen bij de beroepsbevolking en dan is daarin de invloed van werkenden van buiten (pendelaars) nog niet meegenomen. De geografische bereikbaarheid van werk, een kenmerk van aantrekkelijkheid waarop we hier niet zijn ingegaan, is zeker ook een factor die de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt bepaalt. Rotterdam scoort op dit punt redelijk goed, blijkt uit cijfers van het SCP. Maar ook hierbij zien we verschillen. Zo is bijvoorbeeld de werkgelegenheid in de havengebieden voor Rotterdammers (mentaal) lastig bereikbaar.

Gemiddeld genomen zijn werkenden in Rotterdam redelijk tevreden met hun baan, onder andere waar het gaat om beloning en secundaire arbeidsvoorwaarden. En werkgevers in de regio weten schoolverlaters van het mbo en zeker van het hbo relatief goed aan hen te binden. Rotterdam zit dan ook in de lift als aantrekkelijke werkplek voor talent. Dit blijkt onder meer uit de sterke toename van het aantal expats. Uit de voor dit essay gevoerde gesprekken (bekijk hiervoor de uitgebreide versie van dit artikel op de website van de EVR) komt het beeld naar voren dat de stad als een steeds serieuzere kandidaat wordt gezien om carrière te maken ten opzichte van Amsterdam en andere steden. Dit beeld sluit aan bij de interviews met bedrijven in de Rotterdamse hightech sector in de vorige EVR.

Werken in de Rotterdamse regio is echter niet voor iedereen even aantrekkelijk. Deze regio lijkt in relatief sterke mate met het verschijnsel baanpolarisatie te maken te hebben. De werkloosheid onder middelbaar opgeleiden is in de crisistijd ook sterker toegenomen dan onder lager en hoger opgeleiden. Maar de laatste jaren neemt de werkloosheid onder deze groep ook weer gestaag af. De groep voor wie de Rotterdamse arbeidsmarkt nog altijd het minst aantrekkelijk is, is de laagopgeleiden. Ondanks de (tot 2012 gemeten) groei van het aantal banen in lagere beroepen, is de werkloosheid onder laagopgeleiden veruit het hoogst. En naarmate het tekort aan werk op middelbaar niveau groeit, neemt ook het risico op verdere verdringing toe. Daarmee dreigt de Rotterdamse arbeidsmarkt voor grotere groepen lager en middelbaar opgeleiden minder aantrekkelijk te worden. Er is dus alles aan gelegen om te investeren in het arbeidsvaardig maken van lager en in toenemende mate middelbaar opgeleiden en (indien mogelijk) economische activiteiten te stimuleren die passend werk bieden voor deze doelgroepen.

Box 1: geografie, de afstandsfactor

Een tweede ‘verstorende’ factor is een geografische: de Rotterdamse arbeidsmarkt is geen gesloten systeem. Ergens is dat maar goed ook, want anders zou het verschil in niveau tussen vraag en aanbod op de Rotterdamse arbeidsmarkt niet worden opgelost. De Rotterdamse arbeidsmarkt trekt veel mensen van buiten Rotterdam aan. Maar liefst 61% van de banen in de Maasstad wordt ingenomen door mensen die buiten Rotterdam wonen – van de grote steden heeft alleen Utrecht een hogere toevloeiingsgraad (70%).  Het gaat daarbij in ruim de helft van de gevallen om hoger opgeleiden.
De keerzijde is dat 45% van de werkzame Rotterdammers een werklocatie buiten de gemeente heeft. Om de een of andere reden is het voor hen aantrekkelijker om buiten dan om in Rotterdam te werken. En ook daarbij gaat het veelal (51%) om hoger opgeleiden.

Deze cijfers onderstrepen de afstandsfactor als indicator voor de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt. Slechts 14% van de pendelaars vanuit en naar Rotterdam is lager opgeleid. De gemiddelde woon-werkafstand van lager- en middelbaar geschoolden in Rotterdam bedraagt 16 kilometer.  Dat is beduidend lager dan die van hoger opgeleide Rotterdammers: 26 kilometer. Kortom, de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt neemt voor met name lager opgeleiden snel af naarmate de afstand ernaartoe groter wordt. Ongeveer 10% van de werknemers in Rotterdam is niet tevreden met de woon-werkafstand.  Dat is redelijk vergelijkbaar met het landelijke cijfer en gunstiger dan de beoordeling door werknemers in Den Haag en Utrecht.

Box 2: Binding en werkzekerheid

Na een verkenning naar de grote getallen zoomen we nader in op de aantrekkelijkheid van de Rotterdamse banen voor (individuele) werknemers. Een eerste indicator daarvoor is de binding met de baan. Het gemiddeld aantal dienstjaren van werknemers in Rotterdam bedraagt 8,8 jaar.  Dat is lager dan landelijk, maar wat hoger dan dat van werknemers in andere grote steden. Ook rekening houdend met de gemiddelde leeftijd van de werkenden valt de duur van het dienstverband in Rotterdam wat hoger uit dan dat in de andere grote steden.

De binding is niet alleen een indicatie van de tevredenheid met de baan van de werknemer, maar ook van de zekerheid die werkgevers kunnen en willen bieden. Maar ook dat is een aantrekkelijkheidsfactor: het hebben van vast werk wordt doorgaans positiever gewaardeerd dan een flexibel contract. Ongeveer zeven op de tien werknemers in Rotterdam heeft een vast dienstverband, wat vrijwel gelijk is aan het landelijke cijfer.  Ook hier is sprake van aanzienlijke verschillen naar opleidingsniveau: onder lager opgeleiden is het aandeel werknemers met een vaste baan 63%, onder hoger opgeleiden 76%.

Wederzijds commitment tussen werknemer en werkgever uit zich, behalve in de contractvorm, ook in de contractomvang. De gemiddelde aanstellingsomvang van werknemers in Rotterdam lag in 2016 op dertig uur.  Dat is redelijk vergelijkbaar met die van werknemers in de andere grote steden. In 2014 was 88% van de werkenden in Rotterdam tevreden met de aanstellingsomvang en dat is hoger dan het Nederlandse cijfer (83%). Opvallend is dat hoger opgeleiden niet tevredener lijken te zijn over hun aanstellingsomvang dan lager en middelbaar opgeleiden.

Box 3: Binnenlandse arbeidsmigranten

Uit onderzoek van de gemeente Rotterdam  is het nodige bekend over binnenlandse vestigers in Rotterdam voor wie werk het belangrijkste motief was om hier te komen wonen. We mogen ervan uitgaan dat het grootste deel van die vestigers zijn of haar baan ook daadwerkelijk in of nabij Rotterdam heeft, maar helemaal zeker is dat niet. Vestigers die vanuit andere regio’s om werkredenen in Rotterdam zijn komen wonen zijn voornamelijk hoogopgeleide starters op de arbeidsmarkt. 77% van hen is jonger dan 34 jaar (ter vergelijking: onder alle vestigers in Rotterdam ligt dat aandeel op 56%). 76% van de vestigers met werk als voornaamste motief is hoger opgeleid (alle vestigers: 57%). Dat het vooral om starters op de arbeidsmarkt gaat blijkt uit het inkomensniveau. Maar liefst 43% van de vestigers om werkredenen heeft een lager inkomen. Het aandeel lage inkomens onder alle vestigers ligt nog iets hoger (48%), maar een groot deel daarvan betreft scholieren/studenten. Dat mensen bereid zijn om voor werk naar Rotterdam te verhuizen impliceert dat zij de arbeidsmarkt hier aantrekkelijk of perspectiefvol vinden. Dat blijkt ook uit het onderzoek. Maar liefst 86% van de vestigers om werkredenen vindt dat Rotterdam voldoende carrièremogelijkheden biedt. En 82% vindt dat er vanuit de nieuwe woonlocatie in Rotterdam voldoende banen binnen een redelijke reistijd voorhanden zijn.

Box 4: Definitie van internationale werknemers

Het gaat bij deze groepen om werkzame personen met alleen een buitenlandse nationaliteit. Het onderscheid tussen kenniswerkers en overige arbeidsmigranten zit hem in het verdiende salaris. Kenniswerkers tot dertig jaar oud dienen minstens €28.000 bruto per jaar te verdienen en vanaf dertig jaar minstens €38.000 per jaar. De criteria om aan de definitie voor een arbeidsmigrant of kenniswerker te voldoen zijn opgesteld door en worden gehandhaafd door de Belastingdienst. De Belastingdienst houdt daarvoor ook de cijfers bij. Bovendien toetst de Belastingdienst of de werkgever die een kenniswerker in dienst wil nemen, aan de daarvoor gestelde eisen voldoet.

Box 5: Baanpolarisatie

  • Verschillende visies op de werking en impact: CPB, WRR, Rathenau Instituut, Deloitte, Panteia.
  • Aanhangers baseren zich vooral op visies en trends rond de nieuwe economie en de snelle technologische ontwikkelingen (automatisering en robotisering).
  • Sceptici wijzen vooral op het lage tempo tot dusver (empirie) en ‘compenserende’ factoren als nieuwe bedrijfsactiviteiten in de nieuwe economie op mbo-niveau, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt en de concentratie van (technologische) trends in een beperkt deel van het bedrijfsleven, c.q. het grootbedrijf.
  • In elk geval pakt het fenomeen sterk wisselend uit naar branche en beroepsgroep. In administratieve (financiële instellingen) en communicatie- en organisatie-ondersteunende beroepen (secretaresse, baliemedewerker, etc.) is de werkgelegenheid inmiddels fors gekrompen. In minder routinematige en eenvoudig te automatiseren beroepen in het middensegment vallen de effecten vooralsnog erg mee.
  • Het is een deels semantische discussie: wat is het middensegment, wat is een problematische ontwikkeling (qua tempo en omvang) en wat niet?
  • Een voorbeeld is het waarderen van de criteria die bepalen of een functie toekomstbestendig of vervangbaar is. Als voorbeeld het criterium ‘routinematigheid’ van het werk. Dat criterium geldt ook voor veel functies in het lagere segment. Van lager opgeleide werknemers in de regio Rotterdam geeft 71% aan dat routinematig, eenvoudig werk een kenmerk van hun baan is, terwijl van de middelbaar opgeleiden dat ‘slechts’ 51% is. (bron: CBS (2014), Arbeidsaanbodpanel 2014).
  • Tot dusver beperkt empirisch onderzoek op regionaal niveau, om definitieve uitspraken te kunnen doen.
Download origineel
Terug naar boven

Bekijk meer cijfers

Bekijk het EVR dashboard