Impact van corona op het ruimtegebruik in Rotterdam.

Corona heeft de trend van thuis-werken en de groei van e-commerce versneld. Dit zorgt mogelijk voor een aantal structurele veranderingen in het gebruik van de stad Rotterdam.

De hoge dichtheden in steden zijn een ideaal klimaat voor verspreiding van virussen. Corona is dan ook niet de eerste ziekteverwekker die zich snel verspreid in steden. De pest, cholera en Spaanse griep zijn voorbeelden van pandemieën met een grote impact op de bevolking van steden. In sommige gevallen hebben ze ook geleid tot nieuwe en innovatieve inrichting van steden. 

Zo zijn rioleringssystemen direct terug te voeren op het beheersen van ziekteverwekkers. Volgens sommigen heeft de komst van riolering stedelijke agglomeratievoordelen versterkt, omdat de voordelen van het leven in hoge dichtheden losgekoppeld werden van nadelen op het vlak van hygiëne en gezondheid. Tegelijkertijd heeft de voortgezette groei van steden die hierdoor mogelijk wordt, geleid tot nieuwe nadelen zoals congestie en slechte luchtkwaliteit.  

Wellicht vormt COVID-19 de aanleiding voor een nieuwe systeemsprong in de inrichting van Rotterdam. We verkennen dat in dit essay aan de hand van twee belangrijke vragen. Ten eerste: hoe radicaal zou ons gedrag kunnen veranderen na corona en wat ligt hieraan ten grondslag? En ten tweede: wat zou dat kunnen betekenen voor de stad en tot welke dilemma’s leidt dit? 

Locatieonafhankelijk werken
De pandemie heeft geleid tot een gedwongen experiment met digitalisering en thuiswerken in veel organisaties. Thuiswerken levert forse kostenbesparingen op. Accountantskantoor PwC berekent de besparingen voor werkgevers op €1,7 miljard per jaar indien alle Nederlandse werknemers één dag thuiswerken. Uit onderzoek van DJV Insights blijkt dat veel werknemers na de pandemie een deel van hun werkzaamheden thuis uit willen blijven voeren. Ook werkgevers staan hier positiever tegenover dan voor corona. Kantoorruimte is potentieel een belangrijke besparingspost voor de werkgever, maar besparingen lopen ook via catering, energie en de auto van de zaak. De werknemer wint reistijd, en bespaart op het aantal uren kinderopvang door het wegvallen van reistijd en niet-vergoed woon-werkverkeer. De eerste geluiden duiden erop dat het thuiswerken, in elk geval gedeeltelijk, blijvend is. Het Centraal Planbureau voorspelt een verdubbeling van het thuiswerken ten opzichte van de situatie pre-corona.  

Maar er zijn ook kritische geluiden te horen over deze nieuwe vorm van werken. Werknemers missen het ‘face-to-face’ en sociale contact met collega’s, en de inhoudelijke en sociale diepgang in het werk. Dit gaat ten koste van de kwaliteit van het werk, maar ook van het werkgeluk en in sommige gevallen zelfs de gezondheid van de werknemer. De mogelijkheid om thuis te werken verschilt per beroep en sector en Rotterdam kent relatief veel beroepen waarin thuiswerken minder gebruikelijk is. Het zijn vooral de dienstverlenende, zakelijke beroepen en functies voor hoogopgeleiden waarin werken op afstand vaker mogelijk is. Kortom: veel werk dat deel uitmaakt van de kenniseconomie.  

Dit brengt een belangrijk dilemma met zich mee, want juist in deze kenniseconomie speelt nabijheid een cruciale rol in het creëren van regionale concurrentiekracht. Het langetermijneffect van de pandemie is nog onduidelijk, maar het is denkbaar dat veelvuldig thuiswerken negatieve gevolgen heeft voor leren en innoveren binnen maar vooral ook tussen organisaties. Thuiswerken sluit niet goed aan bij het ideaalbeeld van innovatie-ecosystemen, met niet-lineaire procesplanning, veel persoonlijke interactie en impliciete kennisoverdracht. Het thuiswerken kan daarmee uiteindelijk zelfs leiden tot productiviteitsverlies.  

Aan de andere kant is ook productiviteitswinst mogelijk: de technologie die we nu gebruiken om thuis te werken kunnen we post-corona inzetten om op elke gewenste locatie te werken. De tijdswinst die hiermee ontstaat, kan een belangrijke reden zijn om werkpatronen te herschikken. Ook tijdens het werk neemt het reizen af, afspraken worden ook digitaal afgehandeld, waardoor meer gesprekken in dezelfde tijd kunnen worden gevoerd. 

Zelfs wanneer digitale gesprekken iets minder productief zijn, kan de totale productiviteit toenemen. Voorwaarde is dat de tijdswinst opweegt tegen de gemiste voordelen van een persoonlijke ontmoeting. Ook is het aannemelijk dat er een afnemende marginale meeropbrengst van persoonlijke ontmoeting is, wat zou duiden op een optimum – deels digitaal en deels persoonlijk. 

Wel stelt dit eisen aan de infrastructuur, en het adaptief vermogen van de kantoorwerker. De eerste ervaringen wijzen uit dat schakelen tussen digitale en fysieke bijeenkomsten als lastig wordt ervaren. 

Kantoor als ontmoetingsplek
Toch lijkt het erop dat locatieonafhankelijk werken een plaats heeft veroverd in de kenniseconomie. Dit heeft gevolgen voor de stad. Op de kantorenmarkt leidt dit vooral tot een verandering van ruimtegebruik. De waarde van het kantoor wordt op een andere manier beoordeeld. De medewerker komt naar kantoor voor de mogelijkheden die het gebouw biedt om waardevolle interacties aan te gaan met anderen: collega’s, klanten, toeleveranciers en samenwerkingspartners. Dit leidt tot een ander eisenpakket ten aanzien van het kantoor en heeft dus ook gevolgen voor de inrichting, waarbij gezamenlijke ruimtes voor overleg en informele ruimtes zoals koffiebarretjes en sport-voorzieningen centraler staan. Tegelijkertijd zijn voor digitale vergaderingen en concentratieruimten afzonderlijke eenheden van belang. De geraadpleegde experts betwijfelen daarom of locatieonafhankelijker werken leidt tot een kleinere vraag naar kantoren of dat de ruimtevraag juist toeneemt. De cijfers laten nog geen eenduidig beeld zien. Bedrijven houden vooralsnog een slag om de arm en optimaliseren binnen de bestaande huurcontracten. Het lijkt erop dat kantoorhoudende partijen beperkte aanpassingsmogelijkheden hebben.  

Overigens is de impact op verschillende organisaties en groepen medewerkers zeker niet uniform. Er bestaan grote verschillen tussen de grootbedrijven en het midden- en kleinbedrijf, en tussen jongere, startende medewerkers en ervaren medewerkers. In het mkb is het werken op locatie meer de norm. Jonge, startende medewerkers lijken de meeste baten te ervaren van het interactieve, lerende werken op kantoor. Meer ervaren medewerkers, veelal met een gezin, ervaren juist weer meer voordelen van het thuiswerken, al is dit beeld sterk afhankelijk van de privésituatie. Tegelijkertijd is kennisoverdracht tussen deze twee groepen een bron voor het leren binnen organisaties.

Versnelling digitalisering
Niet alleen werken we anders, we consumeren ook op een andere manier. E-commerce was voor corona al in opkomst en de consument heeft het online winkelen nu in de volle breedte leren kennen. In het tweede kwartaal van 2020, tijdens de gedeeltelijke lockdown, was de digitale omzet 55% hoger dan in dezelfde periode een jaar eerder. E-commerce groeide in eerdere kwartalen niet meer dan 25%. Meer mensen bestellen meer verschillende producten (en diensten) online. Er is een versnelde adoptie onder groepen die voorheen de stap naar online winkelen niet snel maakten. Vastgoedadviseur Colliers International stelt dat 50- tot 80-jarigen ook na de coronacrisis meer online zijn gaan winkelen. Bijna een derde van deze groep zegt blijvend online te winkelen.  

De digitale versnelling beperkt zich niet louter tot duurzame consumptiegoederen zoals kleding en elektronica, maar heeft ook de dagelijkse producten bereikt. Volgens het Foodservice Instituut Nederland groeide de markt voor bezorging van maaltijden en boodschappen in 2020 met 43%. Snelle adoptie van e-commerce is een sterk stedelijk fenomeen; de groei in het minder verstedelijkte gebied gaat langzamer. Dit kan betekenen dat ook deze impuls zich concentreert in de grote steden zoals Rotterdam.  

In het derde kwartaal van 2020, toen de coronamaatregelen werden versoepeld, gaven consumenten nog steeds ruim 30% meer uit aan producten in webwinkels vergeleken met dezelfde periode het jaar daarvoor. Naar verwachting is de helft van de onlinegroei blijvend. Vooral wanneer klanten een product willen uitproberen, passen of testen, heeft een fysiek winkelbezoek nog steeds de voorkeur, maar ook ‘het product snel in handen hebben’ speelt een rol. Het belangrijkste argument om een product online aan te schaffen, is de aantrekkelijke prijs. Volgens ABN Amro zal de toekomst van fysieke winkels deels afhangen van het winkelconcept, waarbij er kansen liggen in het creëren van ervaringen, het bieden van expertise en snelle levering.   

Ook aan de aanbodzijde is versnelling opgetreden. Corona heeft een impuls gegeven aan het bezorgen van voedingsmiddelen. Digitale kruideniers bezorgen producten snel aan huis, soms zelfs binnen tien minuten, vanuit opslaglocaties midden in de stad – de zogenoemde ‘dark stores’. Deze initiatieven krijgen door de grote vraag en de bereidheid om alternatieven uit te proberen snel voet aan de grond. Wel bestaat het risico op een shake-out wanneer de keuzevrijheid van de consument weer wordt vergroot.  

Betekenis voor de stad
De nieuwe manier van werken en andere consumptiepatronen leiden tot een aantal (mogelijke) structurele veranderingen in het gebruik van de stad. Ook internationaal heeft dit aandacht. Edward Glaeser publiceerde zojuist een nieuw boek met de veelzeggende titel: Survival of the city. De gedwongen adoptie van thuiswerken en e-commerce heeft ervoor gezorgd dat stedelingen hun voorkeuren opnieuw hebben bepaald. 

Op macroniveau suggereren de cijfers dat het merendeel van de mensen ervoor kiest om een deel van het aangepaste gedrag te bestendigen. Bij het weer openstellen van de samenleving keren medewerkers terug naar kantoor, zij het niet met dezelfde frequentie als voorheen. De digitale vaardigheid van werknemers blijkt – noodgedwongen – fors te zijn toegenomen. Ook voor e-commerce geldt dat openstelling van de samenleving (nog) niet leidt tot het keren van versnelde groei, wel laten cijfers zien dat de groei iets afneemt. We bespreken de veranderingen en betekenis voor de stad aan de hand van de thema’s kenniseconomie en innovatie; en de attractieve stad.  

Kenniseconomie en innovatie
Versnelde digitalisering en het gedwongen verkennen van andere werk- en consumptiepatronen kunnen leiden tot een verminderd belang van fysieke nabijheid. Dit inzicht is niet nieuw, bij elke nieuwe vorm van infrastructuur en digitalisering vraagt men zich af of het belang van fysieke nabijheid afneemt. Tegelijkertijd laat het verleden zien dat het belang van fysieke nabijheid in deze gevallen juist toeneemt. Dat is ergens ook logisch, juist wanneer de relatieve bereikbaarheid van alle plekken toeneemt, zijn het de steden die zich hierin nog kunnen onderscheiden door een uniek voordeel te bieden. Met andere woorden: het aantal plekken dat zich onderscheidt door een hoge mate van informatie- en kennisverspreiding neemt af – dit maakt de plekken met een buitengewoon hoge kennisverspreiding schaarser maar belangrijker. Vooral meer complexe interacties gedijen steeds beter in de stad. Het leidt tot een impuls aan stedelijke innovatie, omdat minder productiviteit hoeft te worden ingezet voor de nu weinig veeleisende routinematige handelingen. Dit betekent dat de meest centrale, hoogstedelijke woonmilieus in Rotterdam de beste papieren hebben als aantrekkelijke locatie voor vernieuwende bedrijvigheid. De eerder waargenomen trend dat de kennisintensieve diensten in het centrum de motor zijn voor de Rotterdamse economie zal volgens ons dan ook versterken. 

Figuur 1 geeft (indicatief) weer in welke gebouwen in de binnenstad een kantoorfunctie is gehuisvest. Het betreft formele kantoorgebouwen, maar bijvoorbeeld ook kantoorruimte behorende bij een winkel in een winkelpand. Voor elk van deze gebouwen is bepaald welke bedrijvigheid in het gebouw is gehuisvest (naar sector) en in hoeverre medewerkers (naar beroep) in deze sector de mogelijkheid hebben om thuis te werken. De analyse geeft daarmee inzicht in de mate waarin medewerkers in deze gebouwen werkzaamheden vervullen waarbij het mogelijk is locatieonafhankelijk te werken. Het geeft daarmee inzicht in de gebieden waar de opgave om tot kantoorruimte te komen die passend is bij de werksituatie na-corona, potentieel het grootst is. Opvallend zijn het centrumgebied, maar ook de Kop van Zuid. 

De hoeveelheid vastgoed waar potentieel sprake is van gedragsverandering is hier groot. Daarnaast valt in de analyse op (niet weergegeven in de figuur), dat gebieden buiten het centrum waar ook kantoren gevestigd zijn (zoals Brainpark, bedrijventerrein Noordwest, de Alexanderknoop en richting het havengebied), een lagere graad van locatieonafhankelijkheid kennen in vergelijking met het centrum.  

Figuur 2 geeft de ontwikkeling van de kantorenleegstand in grotere verhuurde kantoren verdeeld naar centrale gebieden (centrum, Central Business District (CBD) en Kop van Zuid) en de rest van Rotterdam weer. Hierin vallen twee zaken op. Ten eerste is de leegstand in Rotterdam in de periode voor corona in vier jaar gehalveerd. Indien deze trend na corona doorzet, kan een situatie ontstaan waarin de kantorenmarkt richting volledige bezetting gaat. Ten tweede is er sprake van een pas op de plaats tijdens de coronaperiode, partijen lijken af te wachten. Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan dit essay beoogde naar aanleiding van deze ontwikkelingen in kaart te brengen waar (kantoor)ruimtebesparing ontstaat door anders werken, post-corona. Tegelijkertijd zijn de geraadpleegde experts uniform van mening dat er post-corona dezelfde, zo niet meer kantoorruimte zal worden gebruikt. Zij voorzien een fors ruimtebeslag in de vorm van interactieruimten en concentratieruimten. Dit betekent dat de aandacht voor werkruimte, in het bijzonder hoogwaardige kantoren, in de stad Rotterdam van groot belang blijft. Indien na corona de trend uit de periode 2016-2019 doorzet, is binnen enkele jaren sprake van een absoluut tekort aan kantoorruimte. 

Attractieve stad nog belangrijker
Eerder concludeerden wij in diverse EVR-bijdragen dat Rotterdam succesvol is, mede dankzij het langjarig investeren in de aantrekkelijkheid van de (binnen)stad. Dit gaat samen met een structuurverandering naar meer kennisintensieve zakelijke diensten. Rotterdam timmerde op dit vlak hard aan de weg voor corona, maar de voorzieningen die de binnenstad aantrekkelijk maken staan nu sterk onder druk. Zo verwacht Colliers dat de leegstand in de binnenstad van de top 17 winkelgebieden op gelijk niveau blijft. Omdat op veel plaatsen winkels worden getransformeerd tot andere functies, in het bijzonder horeca, maar ook tot woningen, wordt leegstand niet consistent over dezelfde voorraad gemeten. De exacte effecten voor Rotterdam zijn nog moeilijk te duiden. Rabobank stelt dat de grote binnensteden relatief sterk staan en het de regionale centra zijn die onder druk staan. Terwijl het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) juist verwacht dat de hardste klappen zullen vallen bij de sterke binnensteden. 

Volgens de raming van het PBL zal de leegstand in Rotterdam toenemen naar 14% in januari 2022. Het onderzoeksbureau Locatus laat zien dat in de top 17 winkelgebieden de leegstand gemiddeld genomen toeneemt van 7,9% in januari 2021 naar 8.3% in augustus 2021. Locatus verwacht dat deze trend zal doorzetten, omdat mensen nu juist willen winkelen op plekken waar het niet al te druk is. 

Uit verkennend onderzoek van Retail Agenda blijkt dat stakeholders in de sector verwachten dat 10-30% van de non-food winkels verdwijnt en 20-30% van de horecabedrijven. Zij verwachten dat de grotere steden meer veerkracht aan de dag kunnen leggen dan de middelgrote steden. Wijkcentra zien zij als weerbaar, omdat hier vooral essentiële winkels gevestigd zijn. De verschillende signalen en contrasterende inzichten duiden erop dat de kaarten nog niet volledig zijn geschud, maar het ecosysteem van voorzieningen in de binnenstad lijkt wel kwetsbaar. Ondernemers zijn kritisch op de komst van dark stores. Zij stellen dat dit niet bijdraagt aan de winkelbeleving. De winkel wordt niet bezocht en brengt veel (fiets)verkeer met zich mee. Tegelijkertijd bieden de distributiestraten aan de achterzijde van veel winkelstraten wellicht uitkomst, daar kan het transport plaatsvinden. Het is de vraag in hoeverre dark stores een positie in de binnenstad kunnen innemen die past bij de overige (winkel)functies in de straat. Weren of keren van deze trend lijkt moeilijk haalbaar: regulering ten aanzien van de inrichting van de gevel en het al of niet hebben van een publieksfunctie ligt voor de hand. 

De strategie van Rotterdamse actoren is door de oogharen bezien samen te vatten als ‘minder, geconcentreerder en met meer kwaliteit’ inzetten op voorzieningen, zoals winkels. Richard Florida ziet een stad voor zich waarin we interactie sterk organiseren met nieuwe interactiemilieus waarin veel stedelijke voorzieningen samenkomen. In een recent stuk stelt Florida, samen met zijn collega’s Andrés Rodríguez-Pose en Micheal Storper, dat de pandemie geen grote impact zal hebben op wat zij de ‘winner-takes-all’ economische geografie noemen. Daarin concurreren wereldsteden sterk met elkaar en worden de verschillen tussen succesvolle steden en de rest steeds groter. Wel verwachten zij dat de coronapandemie flinke veranderingen teweegbrengt in de structuur en morfologie van steden en hun ommeland. Zij zien bijvoorbeeld een grote rol voor steden als knooppunt voor beleving en betrokkenheid, op het vlak van kunst, cultuur en maatschappij. Steden die zich succesvol en snel kunnen aanpassen en nieuwe betekenis kunnen geven aan de ruimtelijk-economische positie van de stad in een maatschappij na corona, kunnen zich succesvol blijven ontwikkelen. Positief voor de stad Rotterdam is dat de stad zich reeds voor corona ontwikkelde tot een attractieve stad, waarin prettig verblijven een belangrijke rol speelt in het economisch succes. 

Figuur 1: Locatieonafhankelijkheid van economische activiteit in gebouwen met een (gedeeltelijke) kantoorfunctie.
BAG / CBS / PDOK / BRZ, bewerkt door de auteurs
Figuur 2: Ontwikkeling leegstand kantoren in Rotterdam, periode 2016-2021, binnenstad en overig Rotterdam.
CBRE, bewerkt door de auteurs.

Versnelling
Gedwongen tijdelijke, vrij radicale gedragsveranderingen bieden ruimte om ontwikkelingen die voor corona zijn ingezet versneld door te voeren. Zo leidt de pandemie tot een toegenomen aandacht voor gezondheid in de stad en een gezonde levensbalans. Aandacht voor vergroening van de stad en ruimte voor langzaam verkeer (fietsen en lopen) neemt eveneens toe. Ook hier heeft de pandemie een versnellende werking. Veerkracht wordt steeds meer uitgelegd richting vernieuwing: als het toch anders gaat, waarom dan niet gelijk beter? De recente Rotterdamse Herstel & Vernieuwingsagenda en P31-benadering van ‘Herstel en Perspectief in Tijden van Transities’ zijn hiervan mooie voorbeelden.  

Kenniswerkers in zakelijke diensten blijken minder geraakt door de pandemie dan werknemers in persoonlijke dienstverlening en productiemedewerkers. Ook lopen deze laatste groepen thuis een groter risico, omdat woningen gemiddeld kleiner zijn en gezinsleden vaker buitenshuis werken. Bewoners in buurten met veel sociale interactie lopen bovendien een groter risico op besmetting met het coronavirus. De pandemie vergroot daarmee de ongelijkheden in de stad. Voor mensen met keuzevrijheid neemt het palet aan mogelijkheden toe. Daarentegen nemen de keuzemogelijkheden voor mensen in een beroepsgroep waar elders werken niet mogelijk is, of voor mensen met een beperkter budget, af. Corona werkt ook hier als deeltjesversneller. De vraag is hoe snel verschillende groepen in de stad mee kunnen komen met de voorgestelde veranderingen. 

De these dat de pandemie heel disruptief werkt op bestaand gedrag lijkt daarmee niet juist, er is eerder sprake van beperkte bijsturing en vooral versnelling. Dit hangt samen met het terugverend vermogen van mensen; zodra een belemmering is weggenomen vervallen we vaak in oud gedrag. Onze verkenning laat zien dat locaties steeds meer dimensies krijgen waaraan belang wordt gehecht, waarmee de complexiteit van de stad toeneemt.
Voor corona leek een voorkeur te ontstaan voor hoogstedelijke, gemengde interactiemilieus, met rijke voorzieningen en liefst ook met ruimte voor groen en gezondheid. De pandemie heeft deze voorkeur versneld herbevestigd.  

Tegelijk betekent dit ook dat de locaties die voor de pandemie als minder aantrekkelijk werden ervaren, na corona in zwaarder weer komen. Vooral monofunctionele locaties, locaties met een decentrale ligging en verouderd, kwalitatief ontoereikend kantorenaanbod, zijn de verliezers. Experts in de kantorenmarkt verwachten op korte termijn een tekort aan kwalitatief hoogwaardige, centraal gelegen kantoorruimte in Rotterdam. Het verdient aanbeveling om in de binnenstad het aanbod van dit type kantoren te vergroten, terwijl in de gebieden aan de rand van de stad transformatie naar wonen meer voor de hand ligt. Aandacht voor de (door)ontwikkeling van centraal stedelijke, gemengde interactiemilieus, waarin ruimte wordt gereserveerd voor hoogwaardige kantoorruimte die ontmoeting faciliteert, is aan te bevelen.  

Langzaam verkeer
De binnenstad van Rotterdam is veel aantrekkelijker gemaakt, onder meer met het City Lounge beleid. Voorzieningen en verblijfskwaliteit staan hierbij centraal en het centrum is autoluwer gemaakt. Maar er is op dit terrein nog veel te winnen. De versnelling van de ingezette trends vraagt om intensivering van de kwaliteitsimpuls in de binnenstad. De hoogstedelijke interactiemilieus hebben geen baat bij autobereikbaarheid, maar bieden een ideale voedingsbodem voor ‘transit-oriënted-development’: het bouwen in hoge dichtheden nabij OV-knooppunten voor interstedelijk vervoer.
De tijdens corona toegenomen voorkeur voor lopen en fietsen kan hierbij worden benut. De afkeer van het OV lijkt van tijdelijke aard. Wel is een afweging tussen grootschalige investering in OV-infrastructuur voor intrastedelijk vervoer versus een toenemende focus op kleinschalige, autonome, gedeelde verplaatsingen nodig.  

Ook is hierbij aandacht nodig voor de logistiek in de binnenstad. De coronapandemie heeft een forse impuls gegeven aan de hoeveelheid binnenstedelijke logistieke bewegingen. Binnenstadsdistributie vergt een stevige planning, met een weloverwogen positie ten aanzien van de opkomst van binnenstedelijke logistieke hubs. De dark stores zijn in dit kader interessant. Bezien vanuit het winkelaanbod draagt een dark store wellicht niet bij aan een aantrekkelijke winkelervaring. Tegelijkertijd biedt het de ruimte om logistieke verplaatsingen te concentreren en te vergroenen (fietskoeriers). 

Ook kunnen zij knooppunten zijn waar materialen voor de circulaire economie doorheen stromen, bijvoorbeeld door producten eenvoudig te kunnen retourneren, aan te bieden voor reparatie, of reststromen aan te bieden voor hergebruik. 

Een binnenstad voor langzaam verkeer, met goed gereguleerde distributie, lijkt hier goed bij te passen. In de meeste grote steden is het centrum al autovrij gemaakt. Hoewel dit aanvankelijk gepaard ging met veel weerstand, blijken deze gebieden daarna te floreren. 

Samenvattend leidt Corona vooral tot versnelling van ontwikkelingen in stad die voor de pandemie al op de agenda stonden. De daaraan verbonden vraagstukken krijgen hierdoor een hogere mate van urgentie.  De toegenomen snelheid van verandering vraagt om een adaptieve aanpak gericht op het geven van een nieuwe impuls aan de aantrekkelijkheid van de stad, met ruimte voor wonen én werken in een in toenemende mate hoogstedelijker wordend milieu.

Verantwoording
Dit essay kwam mede tot stand door de inbreng van acht experts:

Gilbert bal (roots beleidsadvies, Klaas Bart van den Berg (Gemeente Rotterdam), Marco Clarijs (CBRE), Gabor Everraert (Gemeente Rotterdam), Walter Hulsker (Ecorys), Ruud Kruip (Zelfstandig Adviseur), Jan-Daan Maasland (Fakton) en
Arjen ouwehand (rabobank) 

De auteurs bedanken daarnaast CBRE voor het beschikbaar stellen van data over de Rotterdamse kantorenmarkt. De tekst en interpretatie is de verantwoordelijkheid van de auteurs evenals eventuele fouten of onvolkomenheden.

Download origineel
Terug naar boven