Circulaire transitie vergroot uitdagingen arbeidsmarkt.

De transitie naar een circulaire economie vergroot wel de mismatch op de arbeidsmarkt. Vooral het tekort aan technisch geschoold personeel neemt toe, zo leert onderzoek van TNO.  

De circulaire economie ontwikkelt zich trager dan gewenst. Toch is een klimaatneutraal Nederland in 2050 ondenkbaar als niet een groot deel van onze economie circulair is. Centrale vraag in dit essay is: wat vraagt een circulaire toekomst van de beroeps-bevolking van Rotterdam? De circulaire transitie lijdt onder quasi-revolutionaire interpretaties van circulaire strategieën. Zo neemt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat als uitgangspunt dat ‘een lineaire economie fundamenteel anders is dan een circulaire’. 

Deze stelling is vatbaar voor misinterpretatie. Het centrale uitgangspunt van alle circulaire strategieën is het creëren van toegevoegde waarde door het behouden van waarde van materialen en producten per gebruikscyclus. Daarmee is de circulaire transitie geen nieuw concept, maar een volwaardige toepassing van economische principes. Het kan zich door grote delen van de bestaande economie manifesteren en daarmee bestaande eisen aan de arbeidsmarkt vergroten.

Circulaire sectoren in Rijnmond  

Ook in de huidige economie zijn tal van economische activiteiten te identificeren die we circulair kunnen noemen. De Standaard Bedrijfsindeling (SBI) biedt een eerste houvast in het identificeren van circulaire activiteiten, zoals ontwerp, lease, onderhoud, reparatie, ‘remanufacturing’ en afvalbeheer. Voor een kwantitatieve analyse van circulaire werkgelegenheid kijken we naar de recente banengroei in relevante sectoren in Rijnmond (figuur 1) en Rotterdam (figuur 2). 

Het aantal werkzame personen in de zes belangrijkste ‘circulaire’ sectoren is stabiel. De enige markante knik is te zien op het gebied van Afvalinzameling in Rotterdam tussen 2010 en 2011, grotendeels veroorzaakt door de sluiting van de afval-verbrandingsinstallatie aan de Brielselaan. 

Het verloop van het aantal werkzame personen bevestigt weliswaar dat circulaire activiteiten bestaansrecht hebben, maar laat nog weinig zien van het bestaan van een circulaire transitie. Op basis van de afgelopen twintig jaar zou er geen reden zijn om op de arbeidsmarkt specifiek rekening te houden met een circulaire transitie. Wat opvalt, voor zowel Rijnmond als Rotterdam, is de grote stabiliteit van de sectoren ’reparatie van computers en consumentenartikelen’ en ‘sanering en overig afvalbeheer’. ‘Reparatie en onderhoud van installaties en machines’ volgt de algemene trend in werkgelegenheid. De ‘landbouw’ volgt vanwege seizoensinvloeden een iets grilliger patroon. Deze zes SBI-afdelingen (2-digit) met sterke kenmerken van circulaire strategieën maken ongeveer 3% uit van de werkzame personen in zowel Rijnmond als Rotterdam.

Het gebruik van deze zes SBI-afdelingen voor het monitoren van de werkgelegenheid heeft nadelen. Activiteiten in bijvoorbeeld de groothandel, detailhandel en overige zakelijke dienstverlening kunnen in bepaalde gevallen bijdragen aan circulariteit, maar dit vereist meer details dan het niveau van SBI-afdelingen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in een eerdere analyse op een meer gedetailleerd SBI-niveau (4/5 digit) 113 (sub)klassen gemarkeerd als ‘circulair’. 

In figuur 3 is de specialisatie van verschillende vormen van circulaire werkgelegenheid uitgezet. We hebben die werk-gelegenheid in vier ‘circulaire’ categorieën weergegeven, te weten: biotische stromen, intensiever gebruik, langer gebruik en recycling. Van de 113 (sub)klassen zijn er 77 minder, en 36 méér gespecialiseerd aanwezig in Rijnmond dan in de rest van Nederland. Het aantal werknemers in de meer gespecialiseerde sectoren was in 2019 echter groter (ca. 33.000) dan in de minder gespecialiseerde sectoren (ca. 11.500). Door gebruik te maken van deze meer gedetailleerde beschrijving neemt het aandeel van circulaire banen in Rijnmond toe, van circa 3% naar circa 7%. 

Figuur 1: Ontwikkeling circulaire SBI2 afdelingen sub-COROP regio Rijnmond.Trendlijn totale economie Rijnmond in honderdtallen.
LISA
Figuur 2: Ontwikkeling circulaire SBI2 afdelingen gemeente Rotterdam.Trendlijn totale economie Rijnmond in honderdtallen.
LISA
Figuur 3: Belangrijkste (gebrek aan) specialisatie van circulaire activiteiten in Rijnmond t.o.v. Nederland.Het aandeel van de SBI (sub)klassen in Nederland wordt vertegenwoordigd via de witte stippellijn. Een positie boven de lijn staat voor specialisatie t.o.v. de rest van Nederland, een positie onder de lijn voor een gebrek aan specialisatie. De omvang van de bol staat voor het absolute aantal werknemers in de sub-COROP regio Rijnmond.
LISA
Figuur 4: Belangrijkste (gebrek aan) specialisatie van circulaire activiteiten in gemeente Rotterdam t.o.v. Nederland.Sectoren uit figuur 3 zijn in figuur 4 afwezig. Het aandeel van de SBI (sub)klassen in Nederland wordt vertegenwoordigd via de witte stippellijn. Een positie boven de lijn staat voor specialisatie t.o.v. de rest van Nederland, een positie onder de lijn voor een gebrek aan specialisatie. De omvang van de bol staat voor het absolute aantal werknemers in de gemeente Rotterdam.
LISA

Potentiële banengroei Rijnmond
Tal van studies hebben uitspraken gedaan over het groei-potentieel van de circulaire economie. Voor Rotterdam is bijvoorbeeld een creatie van ten minste 3.500 en uiteindelijk 7.000 banen becijferd (Roadmap circular economy 2016) op basis van het waardebehoud van afval, resulterend in een stroom secundaire grondstoffen die deze economische activiteit financieren. Ook in de Roadmap Next Economy wordt uitgegaan van een netto banengroei. Sommige studies voorzien voor 2030 zowel scenario’s met een netto extra banengroei van 30.000 als een afname van 100.000 banen. 

Voor een analyse van het groeipotentieel gaan wij uit van een Multi-Regionale Input-Output methode met basisjaar 2021. Volgens deze methode is de werkgelegenheidsgroei in Rijnmond bepaald met expertinterviews en op basis daarvan aangenomen groei en krimp van verschillende (sub)sectoren. Zowel groei als krimp is hierbij voorzien, bij een gelijke arbeidsproductiviteit. De ramingen van die studie zijn gegeven in tabel 1 en figuur 5. 

De gemodelleerde groei of krimp is gebaseerd op: ontwikkelingen in de mobiliteit (bijvoorbeeld modulaire scheepsbouw, de toename van private lease, binnenstedelijke elektrische mobiliteit), innovatief materiaalgebruik (incrementele toename van het gebruik van secundair metaal en meer composiet op basis van koolstof), een nieuwe rol van de detailhandel in de consumptie van producten uit de maak-industrie (3D-printing productlocaties, verdere integratie online verkoopkanalen), groei van landbouw door kortere productie- en consumptiekringlopen maar ook afname van vraag door het bestrijden van het weggooien van voedsel. 

De ramingen zijn uitgedrukt als netto extra groei. Die komt bovenop groei zoals becijferd in het basispad ‘laag’ in de Welvaart en Leefomgeving (WLO). De beschreven groei wordt gezien als netto groei, omdat het uitgaat van een verbeterd gebruik van de productiefactoren zoals land en kapitaal-goederen. Bovendien wordt een aantal producten geacht de concurrentiekracht van de regio te versterken via de productie van internationaal verhandelbare goederen. 

De groei toebedeeld naar de SBI (sub)klassen levert de groei op zoals weergegeven in tabel 2. Voor Rijnmond zou dit een groei van circa 1.380 banen betekenen, waarvan ongeveer 620 in de gemeente Rotterdam.

De groei zoals gepresenteerd in tabel 1, tabel 2 en figuur 5 is gebaseerd op een samengesteld groeipercentage van 0,15% tussen 2021 en 2040. Deze groei komt boven op de groei van het basispad. Ondanks de misschien klein ogende aantallen (1.380 en 620 VTE) zou de jaarlijkse 0,15%-groei een aanzienlijk deel zijn van de zogeheten multifactorproductiviteit. Die geeft weer hoe efficiënt de verschillende productiefactoren worden gecombineerd, onder andere door schaalvoordelen, verandering in de bezettingsgraad en technologische ontwikkeling. Volgens het CBS groeide de multifactorproductiviteit tussen 2010 en 2019 met gemiddeld 0,19% per jaar. 

Al met al leidt de circulaire transitie naar verwachting in twintig jaar tot netto ruim 6.000 additionele voltijdbanen (zie tabel 1) in Rijnmond, vergeleken met ruim 40.000 banen in 2021. 

De gespecialiseerde sectoren op SBI4/5 niveau nemen bijna 1.400 (zie tabel 2) van de verwachte banengroei voor hun rekening. In de regio Rijnmond heeft driekwart van de huidige banen in circulair aangemerkte sectoren een grotere concentratie dan in de rest van Nederland.

Tabel 1: Effect van het CE-scenario op nettoproductie en werkgelegenheid in 2040, Nederland en Rijnmond, ten opzichte van een “basispad”.
Chahim 2019
figuur 5: Gemodelleerde toe- of afname werkgelegenheid (voltijd-equivalenten) in Corop-plus regio Rijnmond in 2040 t.o.v. 2021.
Chahim 2019
Tabel 2: Gemodelleerde toename werkgelegenheid (Voltijd-equivalenten) voor circulaire SBI (sub)klassen waarin de regio Rijnmond gespecialiseerd is, op volgorde van specialisatie.
Chahim 2019, modellering door TNO

Drijfveren voor de circulaire transitie 

De circulaire transitie wordt nog wel eens bestempeld als een kostenbesparing. Nog vaak blijkt dat marktprijzen een circulaire oplossing te duur maken, tot frustratie van ondernemers met een circulair oogmerk. 

Wat resteert aan marktkansen zijn niches waarin klanten investeren in langjarige relaties en deze kosten kunnen dragen of kunnen doorrekenen. Voorbeelden zijn huishoudens met een hoog inkomen en de wens om duurzaam te zijn. Deze zogenaamde ‘warm-glow’ lijkt echter gevoeld te worden door minder dan 20% van de huishoudens. 

Zie ook het kader van het MKB Rotterdam Rijnmond over de tekortschietende economische drijfveer. De sociale drijfveer om meer duurzaam te zijn is in 2020 en 2021 sterker waarneembaar dan ooit. De publieke aandacht lijkt geen modegril te zijn. Maar een echte langjarige trend is dat studenten voorkeur lijken te hebben voor studies die hen in staat stellen zelf onderdeel te zijn van duurzaamheidstransities. Dit is van belang voor het aanbod op termijn van arbeidskrachten. 

De interesse van middelbare scholieren en mbo’ers in opleidingen gericht op duurzaamheidstransities is groot en neemt toe. 

MKB Rotterdam, Peter Stooker
MKB Rotterdam heeft voornamelijk leden in de zakelijke dienstverlening, horeca en retail. Voor veel ondernemers geldt dat investeren in innovatie of duurzaamheid vaak moet wijken voor urgente problemen, zoals de coronacrisis, cybercrime, huisvestingskosten of een groot tekort aan geschikte arbeidskrachten. Ondernemers zijn in staat om strikte wet- en regelgeving te volgen, als ‘ondergrens’ voor hun bijdrage aan duurzaamheid. Het is vanwege de genoemde urgente problemen moeilijk om verdere stappen te maken.  

Verdienstelijking kan succesvol zijn als het leidt tot het ontzorgen van de ondernemer. Voorbeelden van kansrijke verdienstelijking liggen op het vlak van duurzame logistiek, continueren van kennis en vaardigheden door training, digitalisering, data-analyse, duurzame huisvesting, supply-chain management, het klimaatneutraal maken van bedrijfsinkoop, het verhuren van zonnepanelen of het leasen van een elektrisch wagenpark. De mkb’er kan dan zowel klant als leverancier zijn. De succesvolle leverancier aan medeondernemers begrijpt wat klanten in een B2B-markt willen. 

Er is een groot tekort aan arbeidskrachten. Dit probleem wordt bestreden met leerwerktrajecten, stages en het werven van kandidaten in het eigen netwerk. De snelheid van het ontwikkelen van gevraagde en geleverde oplossingen tussen ondernemers ligt hoog. In relatie tot duurzaamheid geldt dat tekorten aan arbeidskrachten met dezelfde ondernemersgeest kunnen worden bestreden, als de wet -en regelgeving maar duidelijk en continu wordt toegepast.

Tabel 3: Voorbeelden van circulair economische activiteiten die geacht worden te groeien in komende jaren.
TNO

TWTG, Nadine Herrwerth
TWTG is I-IoT. Deze Rotterdamse scale-up ontwikkelt industriële IoT-apparaten voor zowel industriële klanten als nutsbedrijven, van over de hele wereld. Deze apparaten zijn ontworpen om gegevens te verzamelen, te communiceren en te analyseren. Ze stellen organisaties in staat om tot een beter besluitvormingsproces te komen. Dat leidt uiteindelijk tot een betere en veiligere bedrijfsvoering. 

Door zich te concentreren op apparaten die achteraf kunnen worden gemonteerd, biedt TWTG alle voordelen van moderne technologie door oudere assets in staat te stellen volledige ‘smartability’ te bereiken, zonder de noodzaak om bestaande machines, voertuigen, materieel etc. te vervangen. De ICT-apparatuur van TWTG verzamelt data, die over het algemeen betrouwbaarder zijn dan wanneer afkomstig van mensen. Een apparaat zal zich immers niet onderbenut voelen door herhaalde monitoring uit te voeren. Er bestaat een apparaat om een waarschuwing te markeren zodra indicatoren wijzen op mogelijke problemen. Hierdoor kunnen technici hun kostbare tijd effectief besteden aan het aanpakken en oplossen van problemen. Incidenten, van kleine gebeurtenissen zoals lekkages tot het geheel falen van de asset, worden zo voorkomen.

Op het gebied van operationele excellentie kan technologie een significante en onmiddellijke impact hebben. Een impact op het milieu en de veiligheid van de site, en bijgevolg de verhoogde efficiëntie over een hele operatie. Moderne technologie vergroot niet alleen de duurzaamheid van een faciliteit op lange termijn, maar maakt ook de weg vrij voor snellere veranderingen in de toekomst. Aangezien de technische oplossingen al bestaan, hoeft alleen de besluitvorming tot implementatie te worden ondersteund. Duurzaamheid wordt zo verkregen door de kracht van technische innovatie.

Kennis en vaardigheden
We stellen dat een circulaire transitie hetzelfde vraagt van de arbeidsmarkt als conventionele innovatieve processen. Maar wat is die vraag dan precies? Dit verkennen we aan de hand van twee prominente circulaire strategieën: verdienstelijking en recycling. Een (niet-uitputtende) schets van activiteiten waarvan we een groei verwachten is gegeven in tabel 3. Wat direct opvalt, is dat circulaire economische activiteiten niet meer worden uitgedrukt in SBI-omschrijvingen, omdat een werkelijke transitie betekent dat circulaire strategieën in alle sectoren plaatsvinden. 

Elke sector in de economie wordt door minstens één van de activiteiten in tabel 3 vertegenwoordigd. Is een sector niet direct in de tabel te herkennen, dan is er een goede kans dat hij als toeleverancier of afnemer een indirecte rol speelt in de genoemde voorbeelden in de tabel. 

Basisindustrie, chemie, machinebouwers, installateurs, et cetera leveren in bovenstaande voorbeelden essentiële materialen en kapitaalgoederen. Maar vooral de reeks aan gespecialiseerde diensten (ICT, juridisch, boekhoudkundig, et cetera) moet hier niet vergeten worden. Naar schatting is ruim 8% van de banen in Nederland als circulair aan te duiden. Dit illustreert het belang van deze indirecte circulaire economische activiteiten. 

TNO verwacht dat de meeste nieuwe circulaire activiteiten gericht zullen zijn op het incrementeel beter maken of efficiënter produceren van huidige goederen en diensten. ICT zal naar verwachting een belangrijke rol spelen in de innovatie, zoals het introduceren van productpaspoorten, het verbinden van apparaten in het ‘Internet of Things’ en het toepassen van kunstmatige intelligentie in het aanschaffen, bedienen, onderhouden en vervangen van producten (zie kader van TWTG).

Welke kennis en vaardigheden zou een Human Resource afdeling vragen bij circulaire activiteiten? Met behulp van de Amerikaanse O*NET database onderzoeken we de professionele vereisten die horen bij de voorbeelden uit tabel 3, gericht op verdienstelijking en recycling. Voor de beschrijving van de professionele vereisten die passen bij verdienstelijking zijn de belangrijkste O*NET eigenschappen weergegeven van de functies Sustainability Specialists en Industrial Production Managers. 

Ook voor professionele vereisten die passen bij meer operationele activiteiten rond recycling zijn de O*NET eigenschappen van de functies weergegeven, te weten Recycling and Reclamation Workers, Bioengineers and Biomedical Engineers en Refuse and Recyclable Material Collectors.

De omschrijvingen van professionele vereisten in de O*Net tabellen maken duidelijk dat circulaire economische activiteiten dezelfde kennis en vaardigheden van de arbeidsmarkt vragen als overige economische activiteiten. Alle ‘skills’ (vaardigheden, mentaal vermogen, fysiek vermogen en werkstijlen) die nodig zijn voor een circulaire transitie zijn op de huidige arbeidsmarkt aanwezig. 

Ook voor banen rond materiaalkunde, industrieel ontwerp of biofysisch onderzoek zijn geen ‘exclusief circulaire’ skills gevraagd. Een circulaire economie wijkt niet fundamenteel af van de huidige economie. Er is dus geen reden om aan te nemen dat innovatie gerelateerd aan een circulaire transitie andere kennis en vaardigheden zou vragen dan reguliere innovatie. Maar hoe zit het met de match tussen vraag en aanbod van human capital door een bovenmatige groei van circulaire activiteiten?

Tabel 4: O*NET professionele vereisten die passen bij nieuwe circulaire activiteiten op basis van verdienstelijking.Een volledige beschrijving is beschikbaar in het achtergronddocument.
O*NET
Tabel 5: O*NET professionele vereisten die passen bij nieuwe circulaire activiteiten op basis van recycling.Een volledige beschrijving is beschikbaar in het achtergronddocument.
O*NET

Oplossingen voor mismatch
In Figuur 6 is het aantal vacatures per beroep te zien. De openstaande vacatures wijzen op een grote vraag naar ICT-personeel. Vacatures voor machinemonteurs, ingenieurs en elektriciens staan ook nog hoog in de top-15 van gevraagde vacatures. De verwachting is, op basis van de geraamde banengroei in tabel 2, dat de vraag naar deze technische beroepsgroepen nog verder zal toenemen. Deze verwachting komt voort uit het type activiteiten in SBI4/5 (sub)klassen en is ook gebaseerd op de bijdragen van TWTG en Hogeschool Rotterdam (zie kaders). Gegeven dat de circulaire transitie ook software- en applicatieontwikkelaars vraagt, neemt de mismatch op de arbeidsmarkt toe. 

Daarnaast betekent het feit dat een circulaire economie met vrijwel alle sectoren verweven is, dat alle categorieën in Figuur 6 betrekking kunnen hebben op circulaire banen. Een grotere mismatch tussen vraag en aanbod van arbeid door een circulaire transitie is dus een mogelijk gevaar voor alle beroepsgroepen. Kennis en vaardigheden op gebieden als commerciële economie, projectleiderschap, leidinggeven, trainen, administratie, et cetera zullen weinig aan relevantie inboeten (zie kader van Greenyard).  

De mismatch tussen vraag en aanbod speelt het meest rond technische beroepen. De transitie vraagt van de arbeidsmarkt kennis en vaardigheden die worden opgedaan in opleidingen met een in afgelopen decennia dalend aantal studenten. Nederland scoort slecht in vergelijking met andere OESO-landen in deelname aan technische opleidingen. Landelijk laten 12 educatieve hoofdgroepen in onderzoek (laag 1/2, middelbaar 3/4, hoog 5/6) een netto afname van technisch personeel en landbouw zien. Dit staat in schril contrast met het aantal studenten, dat al jaren toeneemt. Technische studies laten al ruim 15 jaar een groeiend aantal studenten zien. Maar dit zijn vooral wetenschappelijke opleidingen, niet technische vakscholen (zie kader Hogeschool Rotterdam).

Ook de Sociaal Economische Raad (SER) ziet een onbalans in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De SER stelt vast dat de beperkte beschikbaarheid van arbeid voor alle opleidingsniveaus geldt, in het bijzonder voor de knelpuntberoepen in de ICT en techniek. De Raad ziet in bepaalde beroepsgroepen tekorten ontstaan als het aantal banen gericht op circulaire activiteiten de komende jaren gaat groeien. Hierbij speelt dat de behoeften van de circulaire arbeidsmarkt een overlap vertonen met de arbeidsvraag vanuit andere sectoren. De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur bevestigt deze noodzaak en stelt dat voor een effectief innovatiebeleid voor een circulaire economie een sector-overstijgende samenwerking noodzakelijk is. 

In het Actieprogramma Smart Industry is veel aandacht voor het op peil krijgen van kwaliteit van beschikbaar personeel. Daarbij gaat het slechts ten dele om hoger opgeleiden. Vereist is betrokkenheid van medewerkers en daarmee een andere managementstijl en een andere inrichting van de organisatie. 

De oplossing voor de mismatch lijkt vanzelfsprekend: publiek beleid met een CE-oogmerk zou gericht moeten zijn op het aantrekkelijker maken van opleidingen die relevant zijn voor de circulaire transitie. Onderwijs blijft een sleutelrol vervullen in de toekomstige arbeidsmarkt. Ondernemingen zien bedrijfsscholen steeds vaker als snelste weg naar goed personeel. Tal van initiatieven zijn op dat vlak de afgelopen jaren genomen. 

Op korte termijn hoort ook een leerwerkakkoord tot de oplossingen (zie kader van het Havenbedrijf Rotterdam). 

De opbouw van kennisniveaus in de beroepsbevolking geeft Rotterdam geen evidente sterktes of zwaktes. De verdeling van beroepsniveaus in de regio Rijnmond is nagenoeg hetzelfde als het landelijk beeld (zie Tabel 6). Dit geldt overigens ook voor het aandeel van het industriële arbeidsvolume, dat in Nederland op 10% ligt en in Rijnmond op 8%. De verdeling over beroepsniveaus van de toekomstige vraag naar arbeid is moeilijk te bepalen. Ook hier verwachten we dat de circulaire transitie dezelfde ontwikkelingen in beroepsniveaus veroorzaakt als reguliere innovatie. 

Relevante karakteristieken van Rijnmond kunnen een circulaire transitie wel regionaal versterken. De absolute omvang van het industriële arbeidsvolume (ca. 45.000 VTE) en vooral ook de accumulatie van industriële kapitaalgoederen in Rijnmond zijn vanzelfsprekend van invloed. Ook zijn sommige sociaal-culturele structuren relevant. De demografische eigenschappen van Rotterdam helpen wel bij het oplossen van het hardnekkige probleem van een gebrek aan arbeidskrachten met de vereiste kwalificaties. Ten eerste is er het simpele voordeel van een jongere bevolking, die sneller gestuurd kan worden naar opleidingen waar veel werk voor is. Ten tweede is de multiculturele achtergrond van veel Rotterdammers een voordeel in een circulaire transitie, omdat deze bevolkingsgroep meer open staat voor circulaire strategieën. Ook telt de stad relatief veel 65-plussers, die circulaire strategie nog als een trots onderdeel van hun cultuur beschouwen. 

Ten slotte is ook de ontwikkeling van de huidige circa 45.000 technische professionals via ‘upskilling’ belangrijk. Zij kunnen zo doorstromen naar moeilijker in te vullen vacatures, waarbij ruimte voor nieuwe instroom ontstaat. Dit kan ook gelden voor intersectorale mobiliteit, ‘reskilling’, van krimp naar groeisectoren. Ook dat kan helpen om het human capital vraagstuk op te lossen, en het vraagt om ondersteuning van en samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en overheid (zie het kader van Dutch Waste Management).

Figuur 6: Totale vraag naar beroepen in arbeidsregio Rijnmond.
Rijnmondinzicht.nl
Tabel 6: Beroepsbevolking NAAR BEROEPSNIVEAU in 2020 (x1.000).
CBS

Greenyard, Florens Slob
Greenyard verhandelt per jaar bijna 3 Mton aan groente en fruit (ter vergelijking: de totale consumptie van biomassa in Nederland in 2018 bedroeg ca. 56 Mton). Het bedrijf richt zoveel mogelijk processen in op het gebruik van circulaire verpakkingen en het effectief gebruiken van voedselafval. De grootste innovatie zit, naar eigen zeggen, in de vraaggerichte productie. Het feit dat het bedrijf vele productielocaties heeft, verspreid over twintig landen, betekent dat in overleg met retailers en horeca zorgvuldig (per dag, week) kan worden gekeken welke producten gevraagd worden. Het aanbod van Greenyard bestrijkt een groot deel van het gebruikelijke aanbod vers fruit en groente in Nederlandse winkels en restaurants. 

De interactie met de eindgebruiker vergroot de waarde van de stroom en elimineert een groot deel van het voedselafval in de keten van Greenyard. De werknemers van Greenyard hebben kennis op het gebied van bijvoorbeeld landbouw, natuurbeheer, Value Added Logistics, verpakkingen, horeca en retail. De kern van het contact met eindgebruikers zit in vaardigheden rond sales en customer relation management. 

Hogeschool Rotterdam, Kees Kerstholt
De Hogeschool zoekt via projecten naar een nog betere aansluiting van haar curriculum bij de vraag naar kennis en vaardigheden van bedrijven. Binnen het kenniscentrum Business Innovation loopt het onderzoeksproject Get Smart. Bedrijven worden hierbij uitgedaagd om via Smart Industry hun innovatiekansen te identificeren, te ontwikkelen en te vermarkten. 

Verdienstelijking, als belangrijke circulaire strategie, wordt onderzocht in de context van Smart Industry. Verdienstelijking in zijn simpelste vorm, zoals garantie en onderhoudscontracten, wordt door de maakindustrie vaak nog herkend en impliciet al toegepast. De uitdagingen komen bij het aanbieden van producten van de maakindustrie als dienst, waarbij het product en alle stadia van de transactie en gebruik in potentie moeten worden aangepast. As-a-service diensten zijn er voor containers, meetapparatuur, kranen, sensoren, vrachtwagens etc. 

Het project toont aan dat de afwezigheid van kennis en vaardigheden nog een belangrijke barrière is in het ontwikkelen van bedrijfsactiviteiten rond verdienstelijking. Dit gaat over een groot scala aan capaciteiten: logistiek, procestechnologie, contractvorming, ontwerp van eigen bedrijfskapitaal, ontwerp van het product in kwestie, data science, meetsystemen etc. De conclusie luidt dat circulaire innovatie weliswaar hetzelfde vraagt als andere innovatie, maar dat deze wordt gehinderd door een mismatch op de arbeidsmarkt. Bij onvervulde vacatures wordt de pijn van afwezige arbeidskrachten direct gevoeld, maar rond potentiële innovatie is deze pijn niet direct voelbaar. 

Havenbedrijf Rotterdam, Renée Rotmans
In de haven zijn tal van circulaire strategieën al operationeel, sinds kort of sinds mensenheugenis. De energietransitie heeft een grote impact op de Rotterdamse haven, waarbij de circulaire oplossingen in het kielzog worden meegetrokken en een rol kunnen spelen. De overlap en het aantal raakvlakken tussen klimaat en circulair zijn enorm. Het ontwikkelen van de kennis en vaardigheden van de huidige beroepsbevolking om mee te kunnen gaan met deze transities is een belangrijk aandachtspunt. Zelfs als transities bepaalde beroepen overbodig maken zijn de betrokken werknemers niet overbodig. Hun skills zijn van nut voor nieuwe economische activiteiten (bijvoorbeeld de offshore windindustrie of installateurs in de waterstoftechniek). 

Een goed aanbod aan arbeidskrachten is, afgezien van een bevaarbaar rivierennetwerk, de belangrijkste factor in het streven van Rotterdam om wereldwijd de slimste en meest duurzame haven te zijn en blijven. Het arbeidsmarktdashboard ‘Rijnmond in zicht’ geeft aan dat er op dit moment meer dan 8.000 vacatures openstaan, die – indien noodzakelijk – worden vervuld met het aantrekken van kandidaten van over de hele wereld. Het is van groot belang dat de beroepsbevolking in de regio een sterke relatie blijft houden met de haven. Idealiter maken jongeren al op een jonge leeftijd kennis met de activiteiten in de haven en de kansen die er zijn om er te werken. 

Dit belang heeft zich vertaald in een grote serie initiatieven die de aansluiting tussen onderwijs en het bedrijfsleven moeten verbeteren. Voorbeelden zijn een Beroeps Opleidende Leerweg (waarbij de opleiding grotendeels op school plaatsvindt) en beroepsbegeleidende leerweg (BBL) waarbij mensen in dienst zijn bij een leerbedrijf. De RDM-campus, het Erasmus Centre for Entrepreneurship (ECE) gevestigd rond het Marconiplein en het EIC Mainport Rotterdam zijn bij uitstek locaties waar oriëntatie, onderwijs, training en innovatieprojecten samenkomen. Op de RDM-campus en TU Delft worden ook zoveel mogelijk ICT en energietransitie gerelateerde opleidingen gebundeld, als onderdeel van het Human Capital Akkoord Zuid-Holland. Ook binnen de Leerwerkakkoorden worden regionale initiatieven van verschillende partners zoveel mogelijk gecoördineerd. Het totale aantal leerlingen dat in deze trajecten deelneemt bedraagt doorgaans meer dan 20.000. Zij zullen de vraag van een circulaire economie naar arbeid moeten kunnen invullen.

Dutch Waste Management, Peet de Bruijn
DWM ziet onbenutte kansen in bedrijfsafval en afgedankte producten. Meer dan de helft van de afvalstromen in de regio komt vanuit het bedrijfsleven. De overheid wordt geacht om deze stromen te controleren, maar bij toepassingen van DWM blijkt dikwijls dat er in de verwerking nog ruimte voor verbetering is. De stroom bedrijfsafval (circa 50 Mton in Nederland naast 500 kg huishoudelijk afval per persoon i.c. 10 Mton/jaar) onttrekt zich aan het zicht van de burger.

DWM biedt via maatschappelijke programma’s als ‘Inzamel Helden’ ook oplossingen voor een betere collectie van afgedankte producten. De meeste projecten worden ontworpen op basis van low-tech oplossingen, waar mensen formeel en informeel worden ingezet in het werkproces. De vereiste vaardigheden voor betrokkenen zijn deels fysiek maar vooral in de vorm van basale kennis van hygiëne, sociale omgangsvormen en het volgen van protocollen in afvalstations. 

Conclusie
Naar verwachting zorgt de circulaire transitie in de periode tot 2040 voor ruim 6.000 extra banen in Rijnmond. Daardoor zal de krapte op de arbeidsmarkt toenemen, vooral voor technisch geschoold personeel. Hoewel de transitie geen volledig nieuwe vaardigheden aan werknemers vraagt, worden bepaalde skills voor sommige banen belangrijker. Daardoor kunnen toch ‘skills gaps’ en een mismatch ontstaan. Om de beroepsbevolking klaar te stomen voor deze transitie zijn conventionele oplossingen nodig, zoals meer technische scholing, scholing in samenwerking met bedrijven en actieve begeleiding in de studiekeuze tijdens de tienerjaren en het informele leren tijdens het uitvoeren van de baan. 

Monitoring van aanbod van en vraag naar arbeidskrachten bij circulair innovatieve bedrijven is nodig. Relevante indicatoren daarvoor zijn: het aantal openstaande vacatures voor technische (ICT-) beroepen, de verdeling van soorten opleidingen over grootteklassen van bedrijven en de jaarlijkse ontwikkeling van de specialisatie van relevante circulaire sectoren in Rotterdam en het Rijnmondgebied. Het is daarnaast goed om in gesprek te blijven met op circulaire principes gebaseerde ondernemingen, vooral met bedrijven die moeite hebben met het ontplooien van hun bedrijfsactiviteiten. 

Een circulaire transitie gaat zijn eisen stellen aan de beroepsbevolking. De klimaattransitie rekent op de bijdrage van een circulaire economie. Jongeren rekenen op kansen om te werken in een circulaire economie. Vele Rotterdamse huishoudens rekenen op het voordeel dat hun inherente circulaire strategieën op gaat opleveren. De arbeidsmarkt kan dus rekenen op een extra vraag naar goedgeschoold personeel vanwege de circulaire transitie. 

Download origineel
Terug naar boven