Rotterdamse maakindustrie voelt impact corona.

Het coronavirus legde kwetsbaarheden in wereldwijde toeleveringsketens bloot en raakte de maakindustrie daardoor als eerste. Gaan bedrijven de productie terughalen naar het Westen? En kan de maakindustrie in Rotterdam daarvan profiteren?

 

Nog voordat de coronapandemie Nederland bereikte, was bij sommige maakbedrijven de impact al voelbaar. Immers, dankzij maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan kwamen elders in de wereld fabrieken tijdelijk stil te liggen en konden sommige producten niet op tijd worden geleverd. Ook in Nederland moesten bedrijven hierdoor tijdelijk hun productie opschorten.

 

Dit essay gaat in op de vraag of die ervaring gaat zorgen voor een versnelling van de trend van reshoring en nearshoring. Over het algemeen wordt onder reshoring verstaan het terughalen van productieactiviteiten uit het buitenland. Bij nearshoring gaat het om het weer dichterbij organiseren van (een deel van) de productieketen. Bijvoorbeeld door als Nederlands bedrijf activiteiten uit China te verplaatsen naar Zuid- of Oost-Europa.

 

Nederlandse maakindustrie

Een compleet kwantitatief beeld van de trends van offshoring, reshoring en nearshoring is niet of nauwelijks te geven. Definities van reshoring verschillen per bron en de wijze waarop de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten wordt geregistreerd verschilt per bedrijf. Meer exemplarisch zijn er echter wel signalen die wijzen op een toenemende aantrekkelijkheid van Nederland als productieland en de opkomst van re- en nearshoring. Zo haalden onder meer FrieslandCampina en Unilever de afgelopen jaren bedrijfsactiviteiten terug uit het buitenland.

 

Ook zijn Oost- en Zuid-Europese landen in trek als bestemming bij de opschaling van productieactiviteiten door scale-ups. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is reshoring in Nederland een relatief bescheiden verschijnsel. Maar het CBS wijst ook op een afnemende trend van offshoring. Ofwel, steeds minder Nederlandse bedrijven verplaatsen activiteiten naar het buitenland. Het feit dat er weer meer in Nederland wordt geproduceerd, kan wijzen op een steeds beter ondernemingsklimaat voor productiebedrijven. De vraag is of dit zo is. Immers, de loon- en grondkosten in Nederland behoren tot de hoogste ter wereld. Daarentegen hebben diverse technologische ontwikkelingen de arbeidsproductiviteit in Nederland tot grote hoogte gestuwd. En kan er in bepaalde niches sprake zijn van kostenvoordelen door de aanwezigheid van specifieke kennis, ervaring of netwerken. Daarnaast dragen de goede ligging en hoge kwaliteit van de infrastructuur nog altijd in belangrijke mate aan de kwaliteit van het ondernemingsklimaat bij.

 

In meer algemene zin blijkt de aantrekkelijkheid van Nederland als productieland dan ook toe te nemen. Dit zien we vooral terug in de farmaceutische industrie, machine-industrie en voedings- en genotmiddelenindustrie. In deze sectoren ligt de arbeidsproductiviteit in Nederland al op een (zeer) hoog niveau en groeit de toegevoegde waarde sterker dan gemiddeld in OESO-landen (figuur 1). Daarbij geldt voor de machine- en voedings- en genotmiddelenindustrie bovendien dat deze in Nederland een relatief groot aandeel van de economie vertegenwoordigen. Voor de farmaceutische industrie is dit minder het geval.

FIGUUR 1: OMVANG EN ONTWIKKELING VAN DE NEDERLANDSE MAAKINDUSTRIE VERGELEKEN MET DIE IN ANDERE OESO-LANDENN.B. Omvang bollen correspondeert met bruto toegevoegde waarde van de sector in Nederland (2017)
Bron: TNO (2020), bewerking Roots Beleidsadvies

Opvallend is het verhaal van de chemische industrie. Deze heeft zich na de Tweede Wereldoorlog sterk in Nederland ontwikkeld, maar de groei blijft afgelopen jaren wat achter bij het gemiddelde in OESO-landen. Daarbij dient overigens wel te worden aangetekend dat deze topsector zich qua toegevoegde waarde positiever ontwikkelde dan de Nederlandse economie in algemene zin. De achterblijvende groei is dan ook vooral te wijten aan de steeds sterker wordende concurrentie uit het buitenland.

 

Rotterdamse maakindustrie

De ontwikkeling van de chemische industrie is des te relevanter als we kijken naar de industrie in Rotterdam. Van de eerder genoemde sterkste onderdelen van de Nederlandse industrie is de chemische industrie immers de belangrijkste in Rotterdam (figuren 2 en 3). En kijkend naar de specialisatiegraad in Nederland, zien we dat de chemie zich in steeds sterkere mate in Rotterdam concentreert. Waar het aantal banen in de sector in de periode 2015-2019 landelijk met ‘slechts’ 2% groeide, nam dit aantal in Rotterdam met 7% toe. Daarnaast steeg de toegevoegde waarde alleen al in Rotterdam met ruim €400 miljoen. De chemische industrie vormt daarmee in absolute termen nog altijd de motor van de Rotterdamse industrie.

FIGUUR 2: AANDEEL IN TOTALE ECONOMIE, UITGEDRUKT IN WERKZAME PERSONEN (2019)
Bron: Roots Beleidsadvies o.b.v. LISA/BRZ
FIGUUR 3: AANDEEL IN TOTALE ECONOMIE, UITGEDRUKT IN TOEGEVOEGDE WAARDE (2019)
Bron: Roots Beleidsadvies o.b.v. LISA/BRZ/CBS

Wat dat betreft is het beeld van de Rotterdamse maakindustrie sinds onze EVR-bijdrage van 2019 ook nauwelijks gewijzigd. Wel blijkt de Rotterdamse maakindustrie inmiddels in brede zin te groeien. Dit betekent dat niet alleen de procesindustrie groeit maar ook andere onderdelen zoals de metaalproducten- en overige industrie (figuren 4 en 5). Zoals al in 2019 geconstateerd bevinden deze onderdelen van de Rotterdamse maakindustrie zich in belangrijk mate buiten de haven. En uit een ruimtelijke analyse van de meest recente groei van de Rotterdamse metaalproducten- en overige industrie blijkt dat deze groei ook vooral buiten de haven heeft plaatsgevonden. Dit versterkt de reeds in 2019 gesignaleerde spanning tussen wonen en maakindustrie.

FIGUUR 4: ONTWIKKELING AANTAL WERKZAME PERSONEN IN DE ROTTERDAMSE MAAKINDUSTRIE PER DEELSECTOR (2015-2020)
Bron: Roots Beleidsadvies o.b.v. BRZ
FIGUUR 5: ONTWIKKELING TOEGEVOEGDE WAARDE (€ MLN) IN DE ROTTERDAMSE MAAKINDUSTRIE PER DEELSECTOR (2015-2020)
Bron: Roots Beleidsadvies o.b.v. BRZ/CBS

Impact coronacrisis

De vraag is of als gevolg van de coronacrisis deze spanning zal afnemen of juist zal toenemen. Een sluitend antwoord hierop is (nog) niet te geven. Wel is duidelijk dat de maakindustrie op korte termijn vooral hinder van de crisis ondervindt. Al snel na de eerste golf zagen veel bedrijven de omzet dalen. Vooral de transportmiddelen- en metaal(producten)industrie werden hard getroffen, waar in de voedings- en genotmiddelenindustrie de omzetdaling aanvankelijk beperkt bleef. De voor Rotterdam zo belangrijke chemie vormde binnen de industrie een middenmoter en toonde de laatste maanden als één van de weinige deelsectoren zelfs wat herstel.

 

De Rabobank verwacht dat de totale industrie zich in 2021 redelijk zal herstellen. Maar de ramingen zijn meer dan ooit met onzekerheden omgeven. Daarbij bestaan er in de eerste plaats zorgen over werkgelegenheid en human capital. Zo worden veel bedrijven geconfronteerd met een toenemend ziekteverzuim, wat zeker in het mkb kan leiden tot operationele problemen. Ook leidt het toenemende thuiswerken bij sommige bedrijven tot een lagere productiviteit doordat er een grotere afstand tussen de werkvloer en het aansturende (kantoor) personeel ontstaat. Ten slotte verwachten veel bedrijven in 2021 te moeten reorganiseren. Op de middellange termijn vormt dit een risico omdat daarmee (schaars) menselijk kapitaal verloren gaat.

 

Van een andere orde is dat de investeringen in de industrie in 2020 sterk achterbleven bij die in andere jaren. Voor de middellange termijn is dit een punt van zorg. Om de sterke internationale concurrentiepositie te behouden, moet de Nederlandse industrie immers blijven investeren.

 

Reshoring trend

Kijkend naar de trend van reshoring is de voedingsbodem misschien wel beter dan ooit. Zo worden veel productie- en locatiebeslissingen heroverwogen en is de roep om flexibele productie(locaties) en productiesoevereiniteit voor cruciale producten groot. Daarnaast heeft de crisis impulsen aan gedragsveranderingen gegeven die in principe de ontwikkeling van de maakindustrie stimuleren. Denk aan de gegroeide maatschappelijke adaptatie van digitalisering, de nog verder toegenomen aandacht voor verduurzaming en de extra waardering voor kwaliteit en een lokaal product. Ook ligt het voor de hand dat internationale reiskosten de komende jaren zullen stijgen, wat de trend van re- en nearshoring extra stimuleert.

 

Tegelijkertijd vrezen veel partijen dat de coronacrisis in eerste instantie de gewenste duurzame en digitale transitie van de economie vertraagt. Dit vooral vanwege het feit dat bedrijven minder (kunnen) investeren in vernieuwing en zich vooral focussen op hun kernactiviteit. Hoopgevend in dit kader is het feit dat startups en scale-ups relatief goed door de crisis heenkomen. Hoewel in 2020 de werkgelegenheidsgroei bij deze categorie bedrijven kleiner was dan in voorgaande jaren, was er nog wel sprake van groei. In de regio Rotterdam vindt daarbij vooral groei plaats in de energiesector en de maritieme industrie.

 

Kansen Rotterdam

Dat laatste brengt ons bij de impact van de coronacrisis op de aantrekkelijkheid van Rotterdam voor de ontwikkeling van maakindustrie. Duidelijk is dat ook daarbij sprake is van grote onzekerheden. Los van de economische impact op korte termijn creëert de crisis een goede voedingsbodem voor verdere groei. Maar feit is ook dat beide niet los van elkaar kunnen worden gezien. Vaststaat is dat de maakindustrie een cruciale rol kan spelen in de transitie naar een nieuwe economie. Ook is duidelijk dat Rotterdam dankzij haar ligging, vestigingsklimaat en innovatie ecosysteem (figuur 6) een aantrekkelijke propositie heeft voor het aantrekken van maakbedrijven. De stad biedt immers diverse vestigingsmilieus, variërend van binnenstedelijke, kleinschalige milieus tot grootschalige, zware milieus in de haven.

FIGUUR 6/7: ECONOMISCHE KANSEN MAAKINDUSTRIE ROTTERDAM & KETEN VAN KENNIS EN ECONOMIE IN DE MAAKINDUSTRIE
Bron: Gemeente Rotterdam, Roots Beleidsadvies

Hiermee ligt het voor de hand dat de overheid een belangrijke rol speelt in de beperking van de negatieve impact van de coronacrisis. Bedrijven zouden ook door de crisis heen moeten blijven investeren in innovatie. Daarbij zijn vooral meer (sterke) relaties tussen vernieuwende startups, scale-ups en volwassen bedrijven gewenst en is het belangrijk om te investeren in schaalbare projecten.

 

Opgaven

De genoemde aandachtspunten gingen ook al op voor de coronapandemie. Tegelijkertijd zijn veel partijen in de stad zich bewust van het momentum dat de crisis biedt voor de transitie naar een nieuwe economie. De maakindustrie kan in deze transitie een bepalende rol spelen, waarbij de werelden van bijvoorbeeld 3D-printing, robotica en mobiliteit inspireren vanwege hun snijvlakken op het gebied van digitalisering en energietransitie. Maar waarbij ook de opkomst van circulair produceren de ontwikkeling van de maakindustrie stimuleert.

 

Tegelijkertijd is het duidelijk dat de maakindustrie niet automatisch deze rol vervult. Grosso modo gelden er twee randvoorwaarden voor een succesvolle rol als aanjager van de nieuwe economie: een goed functionerend innovatie ecosysteem en voldoende ruimte. Op korte termijn is het vooral noodzakelijk om in het eerste te investeren. Zoals eerder aangegeven is daarbij een belangrijke rol voor de overheid weggelegd. Maar ook semipublieke partijen zoals het Havenbedrijf en een aantal grootbedrijven in de stad kunnen daaraan in belangrijke mate bijdragen. In elk geval is het zaak om te voorkomen dat de coronacrisis de goede internationale concurrentiepositie van de Rotterdamse maakindustrie verzwakt.

 

Op het moment dat de sector zich dan door de crisis heen investeert, is het cruciaal dat er ook voldoende betaalbare ruimte voor ontwikkeling van – verschillende typen – maakindustrie aanwezig is (figuur 7). Daarbij vormt de twee jaar geleden door ons beschreven spanning tussen wonen en werken nog altijd een risico.

Conclusie

Kijkend naar het afgelopen jaar is het duidelijk dat de pandemie een grote impact op de Rotterdamse maakindustrie heeft. Door kwetsbaarheden in productieketens werd de sector als één van de eerste sectoren getroffen en ook daarna hebben veel bedrijven negatieve effecten van de coronacrisis ondervonden. Duidelijk is echter ook dat de crisis een aantal trends kan versnellen die de ontwikkeling van de maakindustrie in potentie stimuleren. Daarnaast kan de sector in belangrijke mate bijdragen aan de door veel partijen gewenste productiesoevereiniteit. Voor nu is het de kunst dat de maakindustrie deze onzekere tijden doorkomt en blijft investeren in vernieuwing en innovatie. Een rol van de overheid ligt daarbij zeker voor de hand.

In het kader van dit essay zijn de volgende personen geïnterviewd:

  • Dhr. J.J. Vogelaar – Innovation Quarter
  • Dhr. L. Crama – Innovators Inc.
    Dhr. M. Straetmans – Entrepreneur In Port Innovation
  • Dhr. M. Huijs – Gemeente Rotterdam
  • Dhr. P. Van Arkel – Berenschot
  • Dhr. V. Wegener – Ramlab
  • Mevr. L. Van Der Lugt – Erasmus Centre For Urban Port And Transport Economics
  • Mevr. M. Boer – Havenbedrijf Rotterdam
  • Mevr. Y. Liu – Tci Biotech

Wij willen hen hartelijk danken voor hun medewerking.

Download origineel
Terug naar boven